Langeland is dat smalle lange eiland waarlangs de veerboten van Duitsland naar Zweden en Noorwegen varen. Het is het eiland dat op zijn breedst tien kilometer is. En het is het eiland waar we twee nachten zijn gebleven. We stonden op de camping in Spodsbjerg, vlakbij het, jawel, twee meter brede zandstrand. Op de eerste dag zijn we bepakt en bezakt aangekomen om vervolgens op onze rustdag zonder bepakking een rondje van 25 kilometer naar Tranekær te fietsen. Je wilt tenslotte iets doen en iets meer zien! Hoe heerlijk is het om langs de zee en het strand te fietsen; vervolgens door een afwisselend landschap van landbouw en bos. En telkens zijn de zee en de daarbij behorende lucht dichtbij.
Van Spodsbjerg gaat de boot naar het kleine plaatsje Tårs op Lolland. Lolland is dat eiland waar de snelweg naar Kopenhagen begint, waar de wegen breed zijn en wat vooral in vergelijking met de eilanden Ærø en Langeland een stukje minder liefelijk oogt. Ik merkte dat ik niet de enige was die het landschap saaier vond. De vierjarige dochter trapte minder hard mee op haar aanhangfiets en ze had meer afleiding van mij nodig in de vorm van verhaaltjes, liedjes en spelletjes. Maar soms was het niet mogelijk om af te leiden. Dan fietsen we langs wegen waar het verkeer met 80 kilometer of meer langs denderde. Elkaar verstaan was er dan even niet bij. Zo’n weg was die van Pedestrup naar Bandholm.
Maar in Bandholm hadden wij geluk. De oude stoomtrein zou over een klein half uurtje vertrekken. Fietsen konden mee in de daarvoor bestemde wagon. Waren we een dag later op hetzelfde tijdstip geweest, dan hadden we pech gehad. De trein reed alleen in het weekend en op dinsdag.
Beetje geluk hebben en soms een beetje pech hebben is wat mij betreft ook een onderdeel van vakantie. Soms zit het mee, soms zit het tegen. Met picknickplaatsjes kun je het enorm treffen, maar soms vind je die prachtige plekjes niet op het moment dat de hongerklop nabij is. Een voorbeeld was onze lunchstop in Nakskov. Ik zou ook niemand aanraden om in deze, toch wat troosteloze plaats te gaan zitten, maar ja, er zijn daar wel supermarkten. En achteraf gezien zou ik de trein al in Nakskov hebben genomen, want echt leuk fietsen was het eigenlijk niet op Lolland.
Æro (sorry niet juist geschreven) is wat mij betreft een van de mooiste eilanden van Denemarken. Niet alleen omdat je er alleen per boot kunt komen, waardoor het een ‘echt’ eiland is, maar omdat er een bijzondere sfeer hangt. Wat die sfeer was, weet ik niet precies. Misschien kwam het door de zon. Misschien waren het de rustige weggetjes. Of wellicht waren het de historische dorpen. Een dorp als Marstal is lange tijd de een na grootste haven van Denemarken geweest. En dat zie je terug in de opbouw van de plaats en in de huizen. Hetzelfde is terug te vinden in de andere havenplaatsen: Skoby en Æroskobing. Ze nodigen uit om te blijven of om terug te keren. Gelukkig dat er dan vier veerdiensten af- en aanvaren in deze plaatsen.
Fietsend zie je zoveel meer dan in de auto. Het tempo is langzamer, vooral bij de steile weggetjes naar boven toe. Eenmaal boven zie je het glooiende landschap, eindigend in de zee. Dan weer gaat de weg er zo dichtbij langs dat bij een grote golf we nat zouden worden. Maar ik kreeg niet het idee dat er ooit grote golven zouden kunnen komen. De zee is er en er zijn plekken genoeg om te pauzeren.
Ongeveer bij Kraegnaes, tussen Æroskobing en Marstal, zouden we overnachten op een van de vrije kampeerplekken die Denemarken kent. Er is een gids van met de naam: Overnatning i det fri. 1000 Plekken zijn beschreven waar je alleen als fietser, wandelaar, ruiter of kanovaarder mag of kunt komen. In de gids staat ook wat de voorzieningen zijn zoals wel of geen stromend water, wel of geen wc en wel of geen douche. Hoe leuk het kamperen ook is, ik vind, vooral met kinderen, de aanwezigheid van stromend water, een wc en een douche toch wel prettig. Daarom hadden we dit plekje ook gekozen, het zou er allemaal zijn.
De werkelijkheid was toch even anders was…Want om bij kampeerplaats nummer 728 te komen moesten wij eerst de juiste boerderij hebben gevonden. Toen hadden we het geluk dat deze biologische boer aanwezig was om ons te begeleiden door de velden naar een strook land waar we onze tent op mochten zetten. Geen ander mens te zien! Ook geen stromend water, anders dan het kabbelende zeewater. De jerrycan met 10 liter water was de aanvulling. Douchen zou bij die boer kunnen, maar een frisse duik in het water was een veel beter alternatief. En een wc? Ach… voor de hoge nood was er een poepdoos met deksel te vinden in de struiken. “Waar kunnen we doortrekken?” Vroegen de net-zindelijk geworden dochters. “Dat is hier niet, het gaat gewoon de grond in” “Eten de wormen en de mollen het dan op?” ” Ja” Hoe simpel kan het zijn en hoe makkelijk is het om de basis van kamperen in de vrije natuur te accepteren. En zeg nou zelf: koken op een brander met uitzicht op zee is toch super?
Het startpunt van onze Deense fietsvakantie was op het eiland Als, in Fynshaven. Niet echt een inspirerende plaats, maar met een haven waarvandaan de boten naar zowel Funen als naar Aero vertrekken is het wel handig om hier de auto op een van de twee campings achter te kunnen laten. Tevens was het de eerste kennismaking met zowel Denemarken, Denen, Deense kronen als Deense campings, Deense kust en Deense bewegwijzering. De bewegwijzering van routes is voortreffelijk te noemen. De taal is onverstaanbaar. De munt is lastig om te rekenen en Denen zijn over het algemeen best vriendelijk. De campings hebben standaard een keuken, sommigen voorzien van magnetrons en ovens. Als we het hebben over de Deense kust dan is daar heel erg veel van. Niet echt zandstranden, vaker zijn het kusten met keien en stenen en een laag zeewier. De zee is echter lekker lang kniediep, dus ideaal voor kinderen om lekker in te spelen.
Omdat we een dag rust hadden ingebouwd alvorens echt te gaan fietsen, en het natuurlijk kriebelde om toch te gaan fietsen, zijn we naar Mommark gegaan. Hier vandaan vertrok vroeger de boot naar Skoby op Aero. In de oude editie van de Bikeline fietsgids staat het nog zo aangegeven. Nu is het een kleine haven met een zandstrandje erbij. Tussen Fynshaven en Mommark heuvelt het, glooit het landschap en zie je boerderijen en landerijen. Ach, hoe liefelijk! En hoe goed om even te wennen aan het fietsen hier, ook al is het nog zonder bagage. Leuk trouwens ook om al andere fietsers tegen te komen die vol bewondering naar onze aanhangers zitten te kijken.
Na 3 weken en 700 kilometer fietsen kan ik het beamen. Denemarken is inderdaad een prima land om te fietsen. Er zijn fietspaden, er zijn fietsroutes en er zijn routebeschrijvingen. Meestal gaan de routes over rustige wegen waardoor het ook prima te doen is om met kinderen te fietsen. Dat Denemarken vergelijkbaar zou zijn met Nederland, kan ik niet zeggen. Want waar wij afgelopen zomer (die natte van 2011) hebben gefietst, daar was het soms vlak (Langeland) en vaak waren er wel wat heuveltjes. Niet veel, niet al te steil, maar het is handig om dat te weten. Want een fietskar en een aanhangfiets zijn, hoe dan ook, te beschouwen als ankers achter je fiets.
Denemarken is ook een kindvriendelijk land om te kamperen. Op elke camping, oké, bijna elke camping, is er wel een speeltuin. Er is meestal ook een grote sanitaire ruimte zodat je samen kunt douchen. En wat ook erg prettig is, er zijn ruimtes om droog te zitten om te eten of om te spelen. Op de campings waar het niet zo kindvriendelijk is, ben je natuurlijk gewoon aangewezen op de eigen creativiteit en speelgoed. Dit keer hebben we de meisjes elk een tasje meegegeven met daarin een boekje, een schriftje, potloodjes en een spelletje. Moet je het tasje wel meenemen en niet achterlaten in de auto op de eerste camping… Gelukkig is er overal in Denemarken wel een winkel waar je speelgoed kunt kopen!
Denemarken kent speciaal voor fietsers (en wandelaars, ruiters, kanoërs) de Overnachting In De Achtertuin, mijn vrije vertaling van Overnatning i det fri. In een boekje (editie 2011) staan 1000 plekken beschreven waar je als niet-automobilist kunt overnachten. De faciliteiten zijn minimaal en soms minder dan dat, maar je staat dan wel of midden in de natuur of ver weg in een achtertuin. De kosten zijn relatief laag (ongeveer het tienvoudige kun je betalen voor een ‘geciviliseerde’ camping). De kampeerplek heb je dan ook voor jezelf of soms met andere buitensporters. En ja hoor, met kinderen wil dat prima. Die vinden het geweldig. En overnachten in een blokhut kan op sommige plekken ook. Slapen in een hut!
Oja, wat hebben wij gedaan in Denemarken? Wij hebben de Oostzeeroute gefietst. Een route die een mix is van landelijke en regionale routes in het zuiden, zuidwesten van Denemarken. Je zou het ook de eilanden-route kunnen noemen, aangezien we over 9 Deense eilanden hebben gefietst. Andere kant: Denemarken kent heel veel eilanden! Allen even Deens, en sommige nog wat Deenser. De eilanden Aero, Langeland en Mon behoren door hun heuvels, hun smalle en bochtige weggetjes en pittoreske uitstraling van de dorpjes tot mijn favorieten. Daarom zijn we op die eilanden wat langer gebleven en hebben we aan het eind de route wat aangepast om nog een keer over Aero en Langeland te fietsen. Het voornemen om minder te fietsen en meer te zitten op de camping is trouwens niet. Want ja, dat is het leuke van een fietsvakantie: je wilt blijven fietsen!
Bijna gaan we weg. Nog eventjes wat voorbereiden, nog even wat dingetjes doen. Vragen beantwoorden als: wat hebben we nog niet, wat moeten we nog aanschaffen. O ja, de fietstassen zijn nog niet compleet. Ik moet namelijk nog een set voor- en achtertassen hebben. Tijdens ons proefkamperen had ik ze geleend, waarvoor grote dank! Nu weet ik wat ik zoek en dat ik ze zelf ook wil hebben. Even snuffelen op het wijde web en binnen een paar keer klikken heb ik de volgende dag tegen een leuk prijsje nog steeds dure maar hele goede tassen. Er kan heel veel in, bijna zoveel als ik zou willen.
Fietskaarten van het gebied hebben we trouwens ook nog niet. Dat komt omdat we er nog niet uit zijn waar we heen gaan. We weten wel dat het kind- en fiets- en kampeervriendelijk Denemarken zal zijn. Maar dan? Rondje Funen? Naar de krijtrotsen van Mon? Naar Kopenhagen fietsen? Als we het weten dan is een grote kaart van Denemarken simpelweg te groot. Op een gedetailleerde fietskaart staan nou juist wel die essentiële kleine weggetjes waardoor de volgens situatie iets minder vaak voorkomt: “Staat niet op de kaart”
Hoe gaan we er naar toe? Dat weten we inmiddels wel, namelijk met de auto en achterop de fietsen. Ik had graag met de trein gewild. Geen files, geen spugend kind in de auto, wel ruimte om je benen te strekken, lekker slapen terwijl je wordt vervoerd. Edoch, daar kwam toch wat meer om de hoek kijken dan even simpel de trein te pakken. Want we nemen we twee fietsen, een aanhangfiets en een fietskar mee. Het traject Twello-Drienerlo was te doen, maar we twijfelden of het internationaal ook zo makkelijk en zonder teveel overstappen zou gaan. Dan maar de auto met alle (on) gemakken erop en eraan. Kunnen we onderweg stoppen om bij overgrootmoeder in Hamburg langs te gaan.
En wat denken we globaal te gaan fietsen nu we een peuter, o nee, sorry, kleuter, mee hebben op de aanhangfiets? 40 Kilometer zal de maximale dagafstand zijn, schatten we zo in. Het arme kind willen we niet meteen verpesten met zadelpijn en nooit meer zin krijgen in fietsen. Daarnaast is het wellicht ook wijzer, verstandiger en handiger, om niet meer elke dag de tent en daarmee de boel op te breken. Dan fietsen we een keer in de twee, drie dagen. En op de niet-fietsdagen kunnen we spelen en lezen en natuurlijk, een rondje fietsen zonder bagage.
Het belangrijkste uitgangspunt is en blijft: we zien wel hoe het gaat. Ervaring en gezond verstand gaan tenslotte ook mee op reis!
Op de dag dat zuslief vier jaar werd, kregen twee meisjes een nieuwe fiets. Voor zuslief werd eindelijk de fiets, die sinds Koninginnedag er was, uit de schuur gehaald. En aan de jongste werd de oude fiets doorgeschoven. Dat is het lot: je krijgt de afdankertjes van de oudste. (Maar dat besef heeft ze nog niet, denk ik. Heeft ze het wel, dan deert het haar niet.) Beiden hadden naar de deze dag uitgekeken waarop ze allebei hun nieuwe fiets kregen.
De peuter van 2 jaar en 10 maanden kreeg een helm op, stapte op en reed weg. Zo doe je dat. Zonder zijwieltjes. En daar word je heel erg blij van! Als kind, als ouder en als argeloze voorbijganger. Dat hoofd straalde van blijdschap, zij mocht niet alleen nu fietsen, ze kon het ook gewoon. Oke oke, eerlijk toegeven, we wisten het eigenlijk wel. We hadden immers al een beetje geoefend, omdat ze al eerder de fiets had gepakt. Toen was ze nog door ons vastgehouden met een hand aan het stuur en andere hand aan het zadel. Eigen ervaring leerde dat ik dan na een poosje voorzichtig het stuur kon loslaten en al lopend, ook het zadel een keer kon loslaten. Kind fietste wel weg.
Nu de grote Ik-kan-ook-fietsen-dag daar was, was ze een en al blijheid. Ze wou zo graag fietsen en zo graag laten zien dat zij dat ook kon! Dit was dus fietsen op haar eigen fiets! Ze fietste zelf. Ze had de snelheid erin, ze ging (meestal) rechtdoor. Alleen als ze met een blij hoofd omkeek, dan ging het stuurtje en daarmee dus de fiets de andere kant op. Ze had de hele dag wel willen fietsen. Maar ja, het was niet echt een mooie dag voor de allereerste keer fietsen. De wind blies haar bijna omver: waarom waait het, mama? En de regen maakte haar niet alleen nat maar ook boos: ik vind regen niet leuk! Ik wil niet fietsen als het regent! Fietsen in de regen is ook niet leuk.
Het loopfietsen heeft zeker bijgedragen tot het snel leren van fietsen zonder zijwieltjes. Met de loopfiets heeft ze geleerd om tegelijk hard te gaan, evenwicht te houden en te sturen. Ze heeft ook geleerd om te stoppen: je zet je voeten op de grond. Ze hanteert echter deze methode ook nu ze op een fiets zit met trappers . Hiervan is het de bedoeling dat ze eerst achteruit trapt en dan haar voeten op de grond zet. Het deert haar blijkbaar niet dat die dingen venijnig in haar kuiten bijten. Ondertussen loop ik ernaast of erachteraan en hoor mezelf roepen hoe ze (beter) kan stoppen. Ja, zegt ze, achteruit trappen om vervolgens de voeten op de grond te zetten. Ze zal het vanzelf wel leren.
Betekende dauwtrappen niet dat mensen op Hemelvaartsdag op de fiets stapten als de dauw nog op de velden lag? Dat je voor zonsopkomst op stond om het ochtendgloren te zien? Dat je weer thuis was voor de koffie en de koek? Of is dat de betekenis die ik er zelf ooit aan heb gegeven? Ik denk het laatste, want afgelopen donderdag waren wij een van de vele, vele mensen die de dag fietsend doorbrachten.
Wij fietsten in Twente. Om hier te komen hadden wij de stoptrein (ook wel Sprinter genoemd) van station Twello naar station Drienerlo gepakt. De fietsen (en de kinderen) hadden we bepakt en bezakt meegenomen. Vanaf het station fietsen we over Memory Lane: het Twentekanaal waar vele halen zijn geroeid, de Campus waar we hebben geleefd, de UT waar we zijn afgestudeerd. Er waren hier nog weinig andere dauwtrappers te zien, maar dat veranderde toen we door het bos achter de UT heen gingen. Voor ons gemak volgden we vanaf hier ergens de LF4, een bewegwijzerde lange afstandsfietsroute. Regelmatig fietsen we in colonne en regelmatig stonden we aan de kant om tegemoetkomers op het smalle fietspaadje te laten passeren. Met de fietsassen en de fietskar waren we wel wat breder dan de gemiddelde dauwtrapper. In zowel Lonneker als De Lutte werden we getrakteerd op een afgezet dorpscentrum: de Hemelvaart werd opgeluisterd met een fanfare of ander muzikaal evenement. De sfeer was prima, het landschap was prachtig en picknicken op de golfbaan was waarschijnlijk illegaal.
Ik vond het een feestje om met de complete kampeeruitrusting te rijden. Zes voortassen, vier achtertassen, een stuurtas, een grote tovertas voor de fourage achterop, een fietskar voor tent, speelgoed en de jongste peuter, een aanhangfiets voor de bijna-kleuter, een Koga voor mij, een Santos voor Bram. Helm op, pet op, fietsen maar! Mama, ik heb net een echte fiets. Ik heb ook trappers. En een bel. Ik wil ook een standaard. Net als jij. Maar ik heb geen voorwiel, want mijn stuur zit aan jouw fiets vast. Ik heb wel versnellingen. Ik heb hem in de 4. En hoe heet dat wat zo ronddraait? Dat is je ketting. Dat is grappig. Mama, zullen we heel hard gaan fietsen? Dan gaan we papa inhalen!
Stoere kleine meid. Ze trapte mee, keek om zich heen en ze kletste erop los. Een kleine veertig kilometer hebben we gefietst langs mooie boerderijen met weilanden vol koeien, over leuke weggetjes om onze eindbestemming te bereiken: camping Olde Kottink bij Beuningen aan de Dinkel. Een camping waar we werden onthaald met koffie en een beker limonade. Waar ‘s middags een proeverij en een barbecue was en zondags de krentewegge in meters klaar lag voor iedereen. Waar er elke dag verse broodjes waren. En die helemaal vol was, maar dat door de ruime opzet nauwelijks merkte. Het dauwtrappen smaakte naar meer: fietsen, vakantie, kamperen.
Afgelopen weekend heb ik een zogenaamde kindertandem gehuurd. Het idee is simpel, de uitwerking geniaal. Op een normale tandem stuurt de persoon die voorop zit. Op een kindertandem is het juist omgekeerd: de achterste stuurt en schakelt (en trapt het meeste) en voorop fietst het kind. Sturen kan het kind niet, fietsen wel. Als kind is dit natuurlijk geweldig, het idee dat je zelf fietst en je moeder fietst achter je! Zusje dat achterop zit heeft niet dat fantastische vrije uitzicht! En als ouder vervoer je je kinderen op een fiets.
Heel gezellig, maar het was wel even wennen. Ten eerste, ik zag het voorwiel niet, er zat immers een kind voor. Bovendien ben je langer dan op een gewone fiets, dus dat was wat heen en weer manoeuvreren. Ik kwam er ook achter dat je niet op dezelfde afstand moest fietsen als ik gewend was. Zat ik bijna met mijn onzichtbare wiel in het achterwiel van degen voor mij en waren we bijna onderuit gegaan. Lees: bijna, want het gebeurde gelukkig niet. Ten tweede: het fietste toch wel zwaar, ondanks de versnellingen en ondanks het gegeven dat ik inmiddels redelijk wat ben gewend met het meezeulen van al dan niet pratende bagage. Met de tegenwind was ik toch wel de slak van het gezelschap. Maar met de wind mee en een zwaar gemotiveerde peuter om iedereen in te willen halen gingen we wel lekker snel!
“Hard gaan we he, mama? Zijn wij de eerste!”
Samen op de fiets blijft leuk. Vooral op smalle fietspaden waar het naast elkaar fietsen moeilijker is, is samen op een fiets ook nog eens praktisch. (Nog) geen gedoe wie er voor gaat en wie er achter gaat fietsen. De snelheid erin kunnen houden, omdat je als groot mens de leidende fietser bent. Geen zere arm, schouder, nek vanwege het duwen. Want ik weet dat dit er allemaal aan zit te komen! En dat is ook prima. De stap die er daarna weer komt, is dat zij, die kinders, mij eruit gaan fietsen. Maar dat duurt natuurlijk nog even, he?!
Mijn ligfiets is dus verkocht. De paarse Mistral staat nu in een andere schuur, denk ik. De nieuwe eigenaar was er in ieder geval erg blij mee, en dat geeft toch weer een beetje een goed gevoel. ‘s Avonds heb ik een rondje gefietst op mijn bukfiets, noem het maar een troostrondje. Het regende en dat vond ik wel passend. Want later werd het weer droog en zag het er net zo mooi uit. Zo is het. En ik kan met volle overtuiging zeggen dat mijn bukfiets heel fijn fietst. Ik ga lekker snel weg bij de verkeerslichten en ik kan lekker stevig doorfietsen.heel fijn!
Ook vandaag heb ik weer wat kilometers gefietst. Het is toch een kwestie van kennismaken, niet waar? Bovendien is fietsen leuk en nog leuker om in een half bekende omgeving te fietsen. Zo’n omgeving waar je wel eens met de auto door heen gaat, maar nooit de kleine weggetjes hebt genomen. Op de fiets kom je dan toch op de mooiste plekken en zie je het anders. Uiteraard merk ik nu ook weer het verschil in hoogte tussen een ligfiets en een bukfiets. Niet dat ik meer zie, maar ik zie het vanuit een ander perspectief. Maar mijn tocht ging naar Bathmen. Ik was er zo weer uit, ben de Schipbeek overgestoken, de A1 onderdoor gegaan om vervolgens aan de grens van de Achterhoek te komen. Grenzen moeten niet op papier worden gemaakt, grenzen zijn het gevolg van natuurlijke barrières. Zo ook hier, het landschap was anders geworden. Het zit m in details hoor. Slingerende weggetjes of een ietsje glooiend landschap. Het blijft mij fascineren dat natuurlijke grenzen het landschap zo verschillend en variërend maken. En dat maakt fietsen voor mij ook weer zo leuk. Of het nou op een ligfiets was of op een bukfiets is.
Ik ga hem verkopen, mijn ligfiets. Met heel veel plezier (en dat is een understatement) heb ik bijna 15.000 kilometer op mijn paarse ligfiets gefietst. Voor de liefhebbers wat details: een Challenge, type Mistral, 3*9 versnellingen, Deore Xt. Na mijn eerste fietstocht langs de Zuiderzee, wat nu het IJsselmeer heet, heb ik hem gehouden. Hij fietste te fijn om hem terug te brengen naar de verhuurder. Het enige wat er toen miste was een goede bagagedrager, dus zijn we naar Challenge gegaan en zo is er speciaal voor mij een nieuwe opgezet. Latere versies van de Mistral werden vervolgens allemaal zo uitgevoerd. Uit elkaar gehaald, in een doos gestopt, weer in elkaar gezet zijn we door Nieuw Zeeland gefietst. En natuurlijk smaakte dat naar meer, fietsvakanties zijn voor mij de ultieme vorm van vakantie vieren. Costa Rica, Engeland, Italië, Duitsland en België, we hebben het op de fiets gezien, gehoord, beleefd. Mijn ligfiets was het onderwerp van diverse internationale gesprekken. Maar ach, de standaard grapjes (lekker lui fietsen, ben je moe?) ken ik inmiddels. Net zoals het vooroordeel dat je met een ligfiets geen bergen zou kunnen beklimmen. Natuurlijk, zo snel gaat het niet, mijn minimum was 4 kilometer per uur. Maar boven ben ik altijd fietsend gekomen (oké, tikje eigenwijsheid en een drupje doorzettingsvermogen en een goede conditie willen wel helpen). En met zestig kilometer per uur (oeps) naar beneden gaan is in volle vaart genieten!
Nu heeft de ratio het dan gewonnen. Ik heb een bukfiets gekocht en ik bied mijn ligfiets te koop aan. Want in tegenstelling tot mijn ligfiets, past achter mijn bukfiets wel een aanhangfiets. Naast een kind fietsen op vakantie is toch wat handiger en veiliger op een bukfiets. Het zijn allemaal volwassen, rationele overwegingen uit veiligheid en verantwoordelijkheid. Maar toch valt het me zwaar afscheid te nemen van mijn ligfiets. Het was toch erg leuk om erop te fietsen. Het was toch net even anders dan op een bukfiets. Ik heb gewikt en gewogen, een nieuw tijdperk is aangebroken, ik neem afscheid van mijn paarse ligfiets. Wat blijft zijn de foto’s en de herinneringen aan de fietsvakanties. En natuurlijk ook het feit dat je een fietskar achter een ligfiets kunt hangen. Met twee kinderen (zolang ze nog klein genoeg zijn om in de fietskar te passen) , twee ligfietsen en twee fietskarren kun je best op vakantie; zie deze foto:
Wil je mijn ligfiets overnemen, of ken je iemand die dat zou willen? … Dan ben je helaas nu te laat. Ik heb m binnen een week verkocht.