Er is zo’n Sinterklaasliedje over een fiets, een lekke band en een pepernoot. Dat Zwarte Piet ging fietsen, een lekke band kreeg en naar de smid ging om het te laten maken. De oorzaak van de lek was een pepernoot. Leuk liedje, maar het is natuurlijk wel onzin. Toch?

Juist op het moment dat ik vandaag met twee kinderen naar huis wou omdat we met z’n drieën honger hadden (gevaarlijk!) voelde ik dat mijn achterband lek was. Oppompen heb ik nog even gedaan, maar na 1 kilometer kon ik afstappen om met de fiets aan de hand naar huis te lopen. Mijn nieuw gekochte buitenband en mijn -uiteraard meteen aangeschafte- anti-lek binnenband hadden blijkbaar niet kunnen voorkomen dat na drie maanden mijn fiets weer een lekke band kreeg. En dan heb je zo’n moment van ergernis.

Gelukkig duurde dat niet heel lang, omdat de volgende discussie ontstond: wat is de oorzaak van mijn lekke band?

“Een pepernootje.” Zei de een.

“Rozijntjes.” Zei de ander. (Je moet tenslotte als jongste zus een eigen mening hebben, dan wel ontwikkelen)

“Nee hoor, een pepernoot. Want dat had Zwarte Piet ook.” Maar ze begon te twijfelen: “We hebben helemaal geen pepernootjes onderweg gezien.”

“Dat klopt. Maar ik had vanmorgen wel mijn fiets naast het huis van Zwarte Piet neergezet.” (En waarschijnlijk ben ik ter hoogte van die plek, de bibliotheek in het centrum, door glas gereden, maar dat vertelde ik uiteraard niet) ” Dus het zou kunnen dat een Piet een pepernoot erin heeft gedaan.”

“JA!” Klonk het in koor. En vervolgens erachteraan: “Maar een hozijntje (de r is nog steeds wat lastig,) kan ook hoor!”

Thuis vroeg ik de smid of de kluspiet om mijn band te repareren: ” Kijk eens wat ik vind….”

“MAMA! Er zat een pepernoot in je band!”

 

 

 

“Ik ben wel een beetje moe. En mijn billen doen ook een beetje pijn. Maar ik blijf wel doorfietsen hoor, want ik ben een racefietser. En racefietsers stoppen niet.”

Kijk, dat is leuk om te horen en aangenaam om naast te fietsen. Een klein 4 jarig meisje op een klein fietsje kan natuurlijk nog niet heel hard fietsen. Maar ze wil het wel. Soms. Soms ook niet. Want een uurtje voor deze fameuze, wellicht toekomst voorspellende woorden, klonk het zo:

“Ik ben wel een beetje moe. Mijn benen doen pijn. Is het nog ver? Waarom moet ik zelf fietsen? En waarom mocht ik niet bij jou op de fiets? Ik wil niet meer.”

Wat is er in dat tussenliggende uurtje gebeurd? We zijn naar de markt geweest, waar ik groente en fruit heb gekocht en zij een banaan heeft gekregen en opgegeten. We hebben ook nog gewinkeld op zoek naar zwemkleding. Ik kwam erachter dat dat blijkbaar iets is wat je nu in de herfst niet moet kopen, maar in het voorjaar of in de zomer. Alsof kinderen nu niet groeien en nu niet in een overdekt zwembad willen plonzen! Het leek er even op dat deze confrontatie met a)het weer eens achter de feiten aanlopen en b)het vervolgen van mijn zoekactie via de digitale weg, mijn humeur ging aantasten. Maar ook bij mij doet het eten van bijvoorbeeld een banaan wonderen.

Met ons half geslaagde missie gingen we naar huis. Wachtend bij het verkeerslicht stonden we te midden van een groep racefietsers: helm op, fietskleding aan, klaar om snel weg te fietsen. Het werd groen, de racefietsers waren uiteraard meteen en natuurlijk snel weg. Het werkte inspirerend: mijn vier-jarige wou ook heel hard fietsen. “Ik heb ook een helm op!” En daar ging ze, heel hard trappend de brug over.

“Later als ik groot ben, dan fiets ik nog veel harder. Net zo hard als jij. En dan ga ik ook op een racefiets fietsen. Dan fiets ik nog harder dan jij!”

Prima meid, moet je vooral doen!

 

oktober

21

Remkabel

“Zo, dus jij dacht dat je wel zelf je fiets kon maken? Je bent vast beter in andere dingen.” Is dat een regelrechte belediging of is dat een insinuatie of? Maakt niet uit, hij heeft wel gelijk, want mijn remkabel van mijn stadsfiets was door mijn eigen stommiteit vanmorgen gebroken. Ik was immers zo eigenwijs om te denken dat ik wel even een een binnenband en buitenband zou kunnen verwisselen. Zo moeilijk is dat toch ook weer niet, zeker als het maar het voorwiel is. Losmaken, wiel eruit, band eraf, binnenband eraf, nieuwe binnenband erop, nieuwe buitenband er weer op, wiel weer vastdraaien en band oppompen. Simpel. Alleen was ik dus wel iets vergeten, dat de remkabel, of beter dat ene dingetje dat de remkabel vasthoudt weer op de juiste plaats te zetten.  Gisteren heb ik er nog prima en zelfgenoegzaam op gefietst. “Ik kan het best, ook al was het dan met enige hulp. Van Bram”

Maar de werkelijkheid deed zich vanmorgen voor. Ik week uit, moest remmen en vervolgens had ik het idee dat er iets tussen mijn spaken zat. Dat idee klopte, het was mijn remkabel. En achteraf heb ik ongelooflijk veel geluk gehad, want met een remkabel die plotseling breekt, had ik een vreselijke smak kunnen maken. Dat gebeurde niet, het enige wat moest gebeuren was toch met hangende pootjes naar de fietsenmaker te gaan. In de verwachting dat ik mijn fiets voor tenminste twee dagen kwijt was, werd ik aangenaam verrast. Drie man personeel was bereid om mij meteen te helpen. Blijkbaar straalde ik of teveel de hulpeloze moeder uit, of gaf ik nog steeds het signaal af dat ik het zelf wel zou kunnen maken. En dat vond de fietsenmaker blijkbaar geen goed plan. Binnen een kwartier stond ik met een werkende remkabel weer buiten.

Toch handig dat verschillende mensen verschillende kwaliteiten hebben.

Denemarken Oostzeeroute: Als-Ærø-Langeland-Lolland-Falster-Bogø-Møn-Seeland-Funen-Langeland-Ærø-Als

(Jaren geleden roeide ik dagelijks in de Funen, een Carl Douglas skiff. Funen was een prima boot. Het is ook een prima eiland, kan ik zeggen nu ik er op de fiets ben geweest.)

De Oostzeeroute maakt een rondje over Funen, maar voor ons was dat niet relevant. Wij gingen bij Nyborg linksaf naar het zuiden. Onderweg vroeg ik me af: waarin verschilt dit eiland zich nou eigenlijk met de andere reeds aangedane eilanden? Het heuvelt wat, er is door de route de constante aanwezigheid van de zee, de Denen zijn Deens, ook hier zijn windmolens. En langs de kant van de weg kun je groente en fruit kopen. Eigenlijk is dit eiland niet anders dan de rest en kun je het dus eigenlijk benoemen als Denemarken.

Op de camping in Tårup hadden we een prima uitzicht op de brug over de Grote Belt. Dankzij het weer zagen het verkeer erover heen gaan en de grote schepen naar Noorwegen en Zweden eronder door varen. We zagen de brug helder in de ondergaande zon en de volgende dag opkomen uit de mist. Fascinerend, zo’n markeringspunt. Van Tårup naar Svendborg is het ruim 50 kilometer.  Op een (naar nu blijkt: te oude) kaart hadden we gezien dat er een boot voer tussen Lundeborg en het eiland Langeland. Een leuk idee om zo de route te vervolgen. Maar het veer was al twee jaar uit de vaart. “Waarom vaart de boot niet?” Dat ik toen had bedacht om als antwoord te geven: Omdat hij is gezonken, kwam later vele malen terug. Ik kon niet meer uitleggen dat de boot wegens gebrek aan passagiers waarschijnlijk niet meer winstgevend was.

Op zoek naar een geschikte camping en een supermarkt reden we verder dan we eigenlijk van plan waren. En zoals dat kan gaan bij onstandvastig zomerweer, het begon te regenen. Was het een paar uur geleden nog aangenaam weer, hoe meer we bij de grote stad van Svendborg aankwamen, hoe harder het ging regenen. En dat was het punt dat kleuter te nat en te moe was om verder te fietsen op de aanhangfiets. Met droge kleren aan hebben we haar in de fietskar naast zusje gezet. Wij fietsten over de hoge brug naar Vindeby en daar troffen we toch wel de camping die ik iedereen wil aanraden: Camping Vindebyore. Als je bij aankomst al wordt onthaald met een warme lach en wordt gewezen waar de ruimte is om natte spullen te drogen, dan begrijp je als campingeigenaar waar doorweekte fietsers behoefte aan hebben. Als er dan ook nog twee speeltuinen zijn en een huiskamer om binnen te zijn, dan word je als kind daar ook blij van.

(En wat zag ik de volgende dag over de Skarupore Sund varen? Juist: roeiboten. Funen en roeien, het hoort toch bij elkaar.)

Denemarken Oostzeeroute

Tussen Seeland en Funen ligt een grote plas met water, genaamd de Grote Belt. Op z’n Deens: Storebælt. Wil je van naar de overkant, dan zul je dus op een of ander manier hierover heen moeten gaan. In vroegere tijden ging dat uiteraard per boot, in moderne tijden gaat dat met een brug. Deze brug is 18 kilometer lang en verboden voor fietsers.

O.

Hoe komt een fietser dan van Seeland op Funen of omgekeerd? Daar is wel over nagedacht. De Denen hebben geen fietspad gelegd, maar een trein laten rijden. De trein gaat niet over de brug, maar duikt in een tunnel onder de Grote Belt door. In de trein mogen fietsen mee, wel van tevoren even reserveren. Dat kan ter plekke bij het loket. Het station ligt trouwens een eindje buiten Korsør. Waarschijnlijk nog onder de indruk van de treinreis op Lolland, had ik een beeld gevormd van een fietsvriendelijke trein. Ik dacht dus aan een aparte wagon. Fout! De realiteit was een vertraagde en overvolle trein waar een geïrriteerde conducteur uitstapte: Dat mag niet mee. Wijzend op de fietskar en de aanhangfiets. Ondertussen stapten mensen in en uit, net zo onfatsoenlijk als in Nederland. Gaat lekker.

Maar met het reserveringsbewijs in de hand hebben we de heisa naar binnen gesleurd. Daar waar we de fietsen mochten neerzetten, onze plekken, stonden al twee fietsen. Handig zo’n reservering.

Deze treinreis was zodoende verre van ontspannend. Had ik gedacht te kunnen genieten en te zien hoe de trein eerst een stukje over de brug zou gaan om daarna de tunnel in zou duiken, in werkelijkheid stond ik gestrest en balans te zoeken. Balancerend om een fiets, twee kinderen en een aanhangfiets vast te houden en te voorkomen dat er ook maar iets zou omvallen tegen een van de twee aanwezige kinderwagens. Het uitstappen was al net zo vervelend als het instappen: mensen die perse tussen ons (fietsen, aanhangfiets, opgevouwen fietskar, kinderen) in moesten staan, mensen die eerst wouden instappen in plaats van een helpende hand uit te steken, kortom een gebrek aan geduld.  De mens is bij zulke gelegenheden egoïstisch ingesteld. Ik sluit mezelf trouwens ook niet uit, ik bekommerde me alleen om mijn kroost, mijn bagage en mijn fietsen.

Maar, mag er weer een boot gaan varen? Of kan er een fietspad worden aangelegd?

 

Denemarken Oostzeeroute: Als-Ærø-Langeland-Lolland-Falster-Bogø-Møn-Seeland-Seeland-Funen-Langeland-Ærø-Als

We staarden op de kaart van de Dansk Cyklist Forbund en we lazen nog een keer de routebeschrijving van de Bikeline. We keken naar buiten en zagen de regen vallen en de wolken voorbij gaan. Het waaide en het regende op de eerste dag in Seeland. Om in Næstved te komen zouden we een lang stuk langs een drukke weg moeten fietsen en hadden we tegenwind. Het zou verstandiger zijn om de route wijzigen. Daarom weken we de volgende dag even af van de Oostzeeroute en volgden we de de routebordjes met de 9 erop naar Præstø aan de oostkant. Vanaf deze plaats, mooi gelegen aan de zee trouwens, gingen we met behulp van de routebordjes met het getal 54 erop naar Næstved. Het voordeel van bewegwijzerde routes: je hoeft minder op de kaart te kijken. Hoe de officiële route van Kalvehave naar Næstved is, weet ik niet. Maar ons alternatieve route was dan wel iets langer, het was een mooie route zo langs de zee en over de heuveltjes.

Aangekomen in Næstved dachten wij op de stadscamping te kunnen overnachten. Maar die vonden we niet. Bestond die wel? Ik betwijfel het, aangezien diverse allervriendelijkste Denen ons wilden helpen maar niemand wist van het bestaan van deze camping niet af. Telkens werden we doorverwezen naar het toeristische Karrebæksminde, tien kilometer verderop. En dat betekende dan ook tien kilometer extra tegenwind en tien kilometer langs een drukke weg op het fietspad fietsen. Toch maar gedaan, we moesten toch die kant op.

Karrebæksminde is met een erg leuke brug (ja, dat kan, als een brug eruitziet als een reuzeninsect, dan is dat een leuke brug) verbonden met het schiereiland Enø. Het was dat we vervolgens 36 uur onafgebroken regen hadden waardoor we weinig anders hebben gezien dan de tent en de plaatselijke warme bakker, maar met mooi weer lijkt het een prima plaats om aan het strand te vertoeven. Næstved is bovendien een stad met voldoende essentiële voorzieningen zoals een boekwinkel, een supermarkt en genoeg restaurantjes en cafeetjes om bij te tanken.

Een stad die mij ook aansprak op Seeland was Skælskør. Geen grote stad, geen grote plaats, maar er door heen fietsend zag je de oude gebouwen met vakwerk en in diverse kleuren. Het is zo’n plaats waar jaartallen op gevels staan die teruggaan naar de middeleeuwen. Het moet altijd al een levendige stad zijn geweest. Er naar toe fietsend zagen we andere oude gebouwen: landgoederen, kastelen, oude boerderijen. En er vandaan fietsend zagen we steeds vaker het symbool van de tegenwoordige Deense tijd: de brug over de Grote Belt.  Daar moeten we naar toe!

Bij de overweging van een fietsvakantie komt natuurlijk de vraag eens: wat doen we als het regent? En willen we dat? Want ja, de kans dat je een keer nat wordt is reëel. Fietsen doe je buiten en buiten kan het wel eens een keer gaan regenen. Puur uit ervaring weet ik dat goede waterdichte fietstassen essentieel zijn. Want na te zijn nat geregend wil je droge kleren aan en wil je slapen in een droge slaapzak. Voor kinderen geldt dit misschien nog wel meer. En ja, een (goed) regenpak hoort natuurlijk ook standaard in de uitrusting. Als je weet dat het echt niet gaat regenen want het is 25 graden en dat blijft het voorlopig nog wel, dan kun je de regenkleding lekker diep wegstoppen. Maar als de regen bij vertrek al met bakken uit de lucht komt vallen, dan is het handig om de regenkleding al aan te hebben. Maar meestal is het weer ergens tussen in en vind ik het daarom prettig om de regenjas bij de hand te hebben.

Voor de kinderen hebben we uiteraard regenpakjes mee. Niet dat die in kleine maatjes makkelijk en overal te verkrijgen zijn, maar we hebben ze gevonden. Raar eigenlijk dat pas vanaf een bepaalde kindermaat regenkleding wordt gemaakt. Wat we afgelopen zomer, die van 2011, niet mee hadden waren de regenlaarsjes. En dat was puur uit ruimtegebrek. Want laarsjes hadden de voeten droog gehouden. In plaats daarvan fietste de kleuter op de aanhangfiets met sandalen aan en elke keer dat we stopten kreeg ze even droge sokken aan. Die sokken hebben we trouwens ook aangetrokken als vervangende wanten toen ze toch duidelijk aangaf het ‘zoho’ koud te hebben.

Fietsen in de regen is gewoon niet leuk, zo simpel is het. Maar je word er wel creatief van. Je kunt schuilen in bushokjes of in supermarkten. Je zult soms moeten doorfietsen, terwijl de regen alles doorweekt, de stroompjes langs de weg alleen maar harder gaan en de plassen alleen maar groter worden. En dan fiets je in die regen, jezelf afvragend wat we aan het doen zijn en dan vraagt de kleuter: Waarom zijn wij de enige fietsers en zit iedereen in de auto en wij niet? Moet je dan antwoorden: fietsen is leuk? Terwijl het helemaal niet leuk is en iedereen kletsnat is? Of wijs je naar andere ingepakte fietsers die ook in de stromende regen fietsen? En vertel je dat de zon echt wel weer gaat schijnen? En zeg je tegen haar dat ze heel erg goed bezig is? Uiteraard het laatste. Iemand anders moed in praten helpt ook om zelf even de regen te vergeten. Maar het mooiste antwoord gaf ze even later zelf. Net zo verbolgen als ze de vraag had gesteld waarom wij fietsten, vroeg ze toen de zon weer scheen: Waarom zit iedereen nog in de auto en niet op de fiets? De zon schijnt toch?

 

 

Denemarken Oostzeeroute: Als-Ærø-Langeland-Lolland-Falster-Bogø-Møn-Seeland-Funen-Langeland-Ærø-Als

Møn is het eiland dat vooral bekend is vanwege zijn krijtrotsen. “The white Cliffs of Dover”, maar dan in Denemarken. Je zou het toeristisch kunnen noemen, met zijn zeer uitgebreide informatiecentrum, een stevige prijs om betaald de auto te parkeren, en tientallen jonge, oude, Deense, niet-Deense mensen die dezelfde wegen bewandelen. Maar… je ziet dan ook wel iets heel moois. Bovenop de rotsen heb je een prachtig uitzicht over de Oostzee. Daar is die dan: wit, blauw, groen.  En je kunt naar beneden kijken: “Het lijken wel kaboutertjes die daar op het strand lopen.” Zelf zijn we ook naar beneden gelopen over “de langste trap die ik ooit heb gezien. Zo lang dat die wel de lucht in gaat”. Eenmaal beneden was het net zo indrukwekkend als boven. Heel veel jaren liggen hier, hier zie je de aarde en de zee. Hier vind je de restanten van het leven van miljoen jaar geleden terug in fossielen.

De fietsen en de bagage hadden we achter gelaten bij onze overnachtingsplek, de jeugdherberg. Het was tijd geworden om bij te komen, even in een bed te slapen en terwijl het regende, binnen te spelen met andere kinderen of op een bank een boek te lezen. Fietsen naar de krijtrotsen is fietsen naar het hoogste punt. Dat betekende dus: klimmen-dalen-klimmen door een afwisselend landschap over redelijk rustige weggetjes. Ik ben niet echt een klimgeit, dus ik hield me voor dat elke klim een stapje omhoog was naar de echte klim (het heet per slot van rekening Møns Klint). Maar fietsend naast de zee wist ik dat de afdalingen evenredig waren met de geklommen kilometers. Zou ik ooit sneller kunnen klimmen als ik geen bagage heb van twee voortassen, twee achtertassen, een stuurtas, een aanhangfiets met een kleuter en twee fietstassen erop? Denk het wel. Maar aan de andere kant, ik ben niet meer alleen tijdens mijn beklimmingen. Mijn kleuter van vier is er immers bij, om zich heen kijkend en vragen op me afvurend: ” Mama… waarom…” En dan volgde weer een vraag. Toen ik op het laatste stukje bij de krijtrotsen maar bleef zwijgen en hijgen, werd de vraagstelling wat bozer: “MAMA, waarom zeg je niets?” ” Omdat ik grr… omhoog probeer te fietsen en het lukt niet!” Oh. Het was het einde van de dag, we hadden de afslag van het fietspad door het bos gemist waardoor we over de modder en langs de file van auto’s ons een weg naar boven probeerden te fietsen. Het was niet grappig… maar wel noodzakelijk. Hadden we het fietspad trouwens wel gevolgd, dan hadden we een afdaling en een helling van 15% over een bospaadje gehad. Dat was zeer waarschijnlijk niet gelukt met alle bepakking…

En toen we er waren, waren we allemaal op. 50 Kilometer is wel veel, zeker als je een kleuter op een aanhangfiets bent. En het was dus een prima keuze om hier op Møns Klint te hebben gestopt.

 

Denemarken Oostzeeroute: Als-Ærø-Langeland-Lolland-Falster-Bogø-Møn-Seeland-Funen-Langeland-Ærø-Als

Om op Falster te komen is er een brug voor al het verkeer aangelegd. Samen met auto’s en treinen fietsten wij Nykøbing binnen, een aangename stad om even te blijven en ook om uitgebreid boodschappen te kunnen doen. We vervolgden de Oostzeeroute naar de andere kant van het eiland. Hier ligt het mooiste strand van Denemarken, tenminste dat zeggen zelf. Tegen het lange, maar nog steeds niet brede zandstrand ligt een grote verzameling van vakantiehuizen en campings, genaamd Marielyst. De plaats is gericht is op autobezit en minder op fietsers. Dat is tenminste onze conclusie omdat er maar een (budget) supermarkt te vinden was.

Na twee dagen strand en camping met grote speeltuin, was het tijd om weer in te pakken en op te zadelen. “He, ik zie windmolens. En hé , wat is dat nou voor een gek huisje?” “Dat is een transformatorhuisje” “Wat is dat?” We waren duidelijk weer op weg naar nieuwe indrukken. Op mij maakte het (fiets)pad ten noorden van Marielyst door het bos en vlak langs de zee de meeste indruk. Ik rook de zilte zeelucht en de frisse boslucht, ik hoorde het geritsel van de bladeren en van het neerslaan van de golven, ik zag het strand, de rotsen, de boomwortels. Een prachtig stukje dat zo langs de oostkant van Falster gaat. De fietsroute van Berlijn naar Kopenhagen gaat hier trouwens ook langs, mocht iemand dat willen gaan fietsen!

In Stubbekøbing, ook weer zo’n typisch karakteristiek havenplaats, hebben we de eerste regen gehad. Het zat er aan te komen. We zagen de bewolking binnenkomen, we voelden het kouder worden. Passende kleding hebben we aangetrokken, en zo zijn we op de veerboot Ida naar Bogø gestapt. Veel andere fietsers waren er, allen onderweg naar Møn. Het was leuk om ervaringen uit te wisselen: Hebben jullie al veel regen gehad? (nee, dit is de eerste regen sinds 1.5 week) Hoe fietst dat nou met een aanhangfiets? (Gaat prima, is heel leuk) En waar zijn jullie vertrokken, toch niet helemaal uit Nederland (nee)

Weinig kan ik vertellen over Bogø, sorry. We waren er slechts tien minuten, onderweg naar…Møn.

Denemarken Oostzeeroute: Als-Ærø-Langeland-Lolland-Falster-Bogø-Møn-Seeland-Funen-Langeland-Ærø-Als

Langeland is dat smalle lange eiland waarlangs de veerboten van Duitsland naar Zweden en Noorwegen varen. Het is het eiland dat op zijn breedst tien kilometer is. En het is het eiland waar we twee nachten zijn gebleven. We stonden op de camping in Spodsbjerg, vlakbij het, jawel, twee meter brede zandstrand. Op de eerste dag zijn we bepakt en bezakt aangekomen om vervolgens op onze rustdag zonder bepakking een rondje van 25 kilometer naar Tranekær te fietsen. Je wilt tenslotte iets doen en iets meer zien! Hoe heerlijk is het om langs de zee en het strand te fietsen; vervolgens door een afwisselend landschap van landbouw en bos. En telkens zijn de zee en de daarbij behorende lucht dichtbij.

Van Spodsbjerg gaat de boot naar het kleine plaatsje Tårs op Lolland. Lolland is dat eiland waar de snelweg naar Kopenhagen begint, waar de wegen breed zijn en wat vooral in vergelijking met de eilanden Ærø en Langeland een stukje minder liefelijk oogt. Ik merkte dat ik niet de enige was die het landschap saaier vond. De vierjarige dochter trapte minder hard mee op haar aanhangfiets en  ze had meer afleiding van mij nodig in de vorm van verhaaltjes, liedjes en spelletjes. Maar soms was het niet mogelijk om af te leiden. Dan fietsen we langs wegen waar het verkeer met 80 kilometer of meer langs denderde. Elkaar verstaan was er dan even niet bij. Zo’n weg was die van Pedestrup naar Bandholm.

Maar in Bandholm hadden wij geluk. De oude stoomtrein zou over een klein half uurtje vertrekken. Fietsen konden mee in de daarvoor bestemde wagon. Waren we een dag later op hetzelfde tijdstip geweest, dan hadden we pech gehad. De trein reed alleen in het weekend en op dinsdag.

Beetje geluk hebben en soms een beetje pech hebben is wat mij betreft ook een onderdeel van vakantie. Soms zit het mee, soms zit het tegen. Met picknickplaatsjes kun je het enorm treffen, maar soms vind je die prachtige plekjes niet op het moment dat de hongerklop nabij is.  Een voorbeeld was onze lunchstop in Nakskov. Ik zou ook niemand aanraden om in deze, toch wat troosteloze plaats te gaan zitten, maar ja, er zijn daar wel supermarkten. En achteraf gezien zou ik de trein al in Nakskov hebben genomen, want echt leuk fietsen was het eigenlijk niet op Lolland.